uitspraak
Eten: soep met stokbrood.
Bas geeft mij een broodje, hij zegt: zo mama ook een stokbroodje.
Amy: heb jij ook een stok op je brood?
Eten: soep met stokbrood.
Bas geeft mij een broodje, hij zegt: zo mama ook een stokbroodje.
Amy: heb jij ook een stok op je brood?